Belemmeringsverbod en overnamevergoeding

Auteur: mr. A.S. Kasdiran
Datum: 11 mei 2018

Artikel 9a Waadi (Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs) verbiedt een uitzendbureau om belemmeringen in de weg te leggen voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst tussen de uitzendkracht en de inlener. Een zuiver taalkundige uitleg doet vermoeden, dat dit belemmeringsverbod alleen werknemers met een arbeidsovereenkomst zou beschermen. De wetsbepaling moet volgens de Hoge Raad echter ruim worden uitgelegd en wel conform de Uitzendrichtlijn (Richtlijn 2008/2004 EG). Deze richtlijn spreekt over het sluiten van een arbeidsovereenkomst of het tot stand komen van een arbeidsverhouding. Daarbij ziet het Hof van Justitie van de EU als hoofdkenmerk van een arbeidsverhouding: “dat een persoon gedurende een bepaalde tijd voor een ander onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een vergoeding ontvangt, waarbij de juridische kwalificatie naar nationaal recht en de vorm van deze verhouding, evenals de aard van de rechtsbetrekking tussen deze twee personen in dit opzicht niet doorslaggevend zijn” (Hof van Justitie EU, 11 november 2010, Danosa, C‑232/09, EU:C:2010:674). Daarmee is het belemmeringsverbod niet alleen van toepassing op werknemers, maar ook op ZZP-ers die op basis van een overeenkomst van opdracht door het uitzendbureau ter beschikking zijn gesteld. Wel kent de Waadi-bepaling in het tweede lid een uitzondering op het belemmeringsverbod. Toegestaan is een beding op grond waarvan door de inlener aan het uitzendbureau een redelijke vergoeding verschuldigd is voor verleende diensten in verband met de terbeschikkingstelling, werving of opleiding van de desbetreffende uitzendkracht. Daarover oordeelt de Hoge Raad als volgt: “De redelijkheid van een dergelijke vergoeding kan worden beoordeeld aan de hand van wat in de markt gebruikelijk is, de kosten die zijn gemaakt en de duur van ter beschikkingstelling. Als de terbeschikkingstelling bijvoorbeeld lang heeft geduurd, zullen de inkomsten daaruit groter zijn (en de kosten voor een groter deel zijn terugverdiend). Het ligt in de rede dat bij de bepaling van de hoogte van een vergoeding hier rekening mee wordt gehouden” (HR 14 april 2017, X / Focus on Human, ECLI:NL:HR:2017:689). Het non-concurrentiebeding als opgenomen in artikel 20 van de NBBU-cao verplicht de uitzendkracht en ZZP-er dan ook om aan het uitzendbureau vooraf schriftelijk mededeling te doen van het sluiten van een arbeidsovereenkomst of het tot stand komen van een arbeidsverhouding. De ABU-cao zegt hier niets over.

Voor meer informatie:
Kasdiran Rechtspraktijk │T 0412-484256 │ E info@kasdiran.com

TOT ZIENS OP ZONDAG 27 MEI 2018 BIJ DE VESTINGLOOP IN DEN BOSCH